IMPERFECTION
Er was eens een muur.
Niet de muur van een huis, maar die van een oud gebouw ergens in het zuiden — gebleekt door de zon, gebarsten door de jaren, beregend en gedroogd en weer beregend. Op die muur had de tijd zijn handtekening gezet. Niet eén keer, maar honderd keer. In lagen.
Niemand had die muur ooit als mooi beschouwd. Te oud. Te rafelig. Te veel littekens.
Maar op een ochtend, toen het licht er schuin op viel, zag iemand het. Hoe de crème tint overging in ivoor, in zand, in de kleur van droog gras na de zomer. Hoe er midden in dat gebarsten oppervlak de vage contouren zaten van iets groots — een vorm, bijna een hart, bijna een steen, bijna een ademhaling. Hoe rechts de duisternis niet dreigend was, maar aanwezig. Geaard. Eerlijk.
De Japanners hebben daar een woord voor: wabi-sabi. De schoonheid van wat onvolmaakt is. Van wat vergaat. Van wat nooit af zal zijn.
Imperfection is geen titel over falen.
Het is een titel over moed — de moed om niet te polijsten wat niet gepolijst wil worden. Om de barsten te laten zien. Om het donkere deel niet weg te schilderen maar te laten staan, als een eerlijke getuige naast het lichte.
Dit werk vraagt niet om bewondering.
Het vraagt om herkenning.
Want ergens in ons allemaal zit zo'n muur — gebleekt, gebarsten, gerepareerd en weer gebarsten. En misschien, als het licht er op de juiste manier op valt, is precies dat het mooiste wat er is.